De schampere velden
Half Leuven trok donderdag naar Woven Hand in het Depot. Uw geliefd gewaardeerd popkenner moest links en rechts tickets afslaan. Hij had immers een rendez-vous in zijn geliefde Brussel, in de club van de AB. Daar was een soort uitwisselingsproject aan de gang met het Kultuurkaffee van de VUB. Twee bandjes mochten ons entertainen.
Dat was op de eerste plaats Kiss The Anus Of A Black Cat, een band waar ik al lang nieuwsgierig naar was. Al was het maar om de geweldige naam. Ik zag een woeste zeebonk met vier begeleiders. Ik hoorde dreigende doemfolk voor een heel chaotische lange vaart. Alle die willen naer Island gaen, om kabeljauw te vangen en te visschen met verlangen, denken beter twee keer na. Hoogtepunt was een lied met een zalige harmoniumpartij en de tekstflard "some of us are dying children". Het laatste nummer begon als drone maar werd een waarachtig lied. De heerlijke cello levert bonuspunten op.
Vervolgens was het de beurt aan Shit And Shine and it was totally fucked up. Telt u even mee? Drie drummers op het podium. Vijf à zes drummers deden onversterkt mee voor het podium. Twee konijnen met blauwgeverfde gelaten speelden bas. Een van hen brabbelde soms wat in de micro, de andere beroerde af en toe een batterij elektronica. Een soort Sovjet-Fonzie speelde gitaar. Dan liepen er nog drie Walt Disney-Sneeuwwitjes rond met M16's om de orde te bewaren. En daar is nu eens niets van gelogen.
Het optreden was één lange tribale jam, misschien wel de ultieme tribale jam. Het klonk als een drumkorps uit de hel, als de Gilles de Binche met een wel heel zware kater. Misschien is het in het heelal toch alle dagen carnaval.
Trouwens: die avond ben ik de volle twee seconden te zien geweest op Terzake. Dat krijg je als je leeft in historische tijden. Faam en glorie, hier kom ik.
Dat was op de eerste plaats Kiss The Anus Of A Black Cat, een band waar ik al lang nieuwsgierig naar was. Al was het maar om de geweldige naam. Ik zag een woeste zeebonk met vier begeleiders. Ik hoorde dreigende doemfolk voor een heel chaotische lange vaart. Alle die willen naer Island gaen, om kabeljauw te vangen en te visschen met verlangen, denken beter twee keer na. Hoogtepunt was een lied met een zalige harmoniumpartij en de tekstflard "some of us are dying children". Het laatste nummer begon als drone maar werd een waarachtig lied. De heerlijke cello levert bonuspunten op.
Vervolgens was het de beurt aan Shit And Shine and it was totally fucked up. Telt u even mee? Drie drummers op het podium. Vijf à zes drummers deden onversterkt mee voor het podium. Twee konijnen met blauwgeverfde gelaten speelden bas. Een van hen brabbelde soms wat in de micro, de andere beroerde af en toe een batterij elektronica. Een soort Sovjet-Fonzie speelde gitaar. Dan liepen er nog drie Walt Disney-Sneeuwwitjes rond met M16's om de orde te bewaren. En daar is nu eens niets van gelogen.
Het optreden was één lange tribale jam, misschien wel de ultieme tribale jam. Het klonk als een drumkorps uit de hel, als de Gilles de Binche met een wel heel zware kater. Misschien is het in het heelal toch alle dagen carnaval.
Trouwens: die avond ben ik de volle twee seconden te zien geweest op Terzake. Dat krijg je als je leeft in historische tijden. Faam en glorie, hier kom ik.
Labels: gewaardeerd popkenner, live, zelfverheerlijking

0 Comments:
Een reactie plaatsen
Links to this post:
Een link maken
<< Home