Smokey Robinson,
Steve Stevaert en
Paul Delouvrier denken van niet maar maandag acht juni anno domini MMIX was wel degelijk een goede dag in de existentiële handel en wandel van onze jonge held
Geert S. Simonis. Het begon allemaal met een wekker die vroeg afging. Waarmee ik bedoel: rond hetzelfde uur als bij het gros van het klootjesvolk: zeven uur. 's Morgens! A.M.! Het staartje van de avond!
Een half uur later sleepte mijn enorme wilskracht mij richting douche. Ik heb mij geschoren zonder mij te snijden, bekrassen of pijnigen. Geen idee hoe dat bij jullie zit maar ik geloof dat een vader zijn zoon de fijne kneepjes van het inperken der baardgroei leert tijdens een overgangsceremonie. Niet dat ik zo'n ceremonie heb gekregen. Ik heb dat hele scherengedoe zelf mogen uitzoeken.
Al heb ik links en rechts wel wat opgestoken. Uit de aflevering One Fish, Two Fish, Blowfish, Blue Fish van the Simpsons. Uit Miller's Crossing van de gebroertjes Coen. Of Echte Mannen Scheren Zich Niet Elektrisch van Guido Belcanto. Maar ik nog steeds nauwelijks baardgroei. Merde is dat de aanwezige baardgroei wel aan een steviger tempo groeit. Ik scheer mij tegenwoordig drie keer per week gelijk een grote jongen.
Vervolgens ben ik richting computerlokalen van de unief gegaan om mijn paper voor Leefstijlen en Consumptiepatronen af te maken. Maar Geert, je beschikt over een laptop, waarom heb je die paper niet afgemaakt in de privacy van je eigen kot? Zoals zovelen in de droeve eindjaren van het eerste decennium der eenentwintigste eeuw heb ik de aandachtsspanne van een stel
ninja's.
Door in het openbaar te typen belet ik mezelf niet elke dertien seconden richting
Facebook te klikken. Ik heb wel genoeg sociale vaardigheden om in dan niet aan de
porno te gaan. Alzo is de paper - een hoopje gelul dat
Brian Epstein en
the Beatles linkte aan het grootwarenhuis en aan gendercrap - op een redelijk uur afgeraakt.
Voor het zover was ik mij nog de eer geschonken te lunchen met
Big Nasty J., de beruchte gangsterrapper, cultuurcriticus, conservatief denker en feminist. Voor het eerst sinds de paasvakantie heb ik hem afgemaakt in een potje
schaak. Mijn ego zwol als een hybride mix tussen de
Hulk, een sumoworstelaar op pensioen,
GW en Jean-Marie Dedecker. Misschien is het die goede wind die mijn paper heeft voortgeblazen.
Vervolgens de bus richting Kessel-Lo Rock City om de voyeur uit te hangen aan de diner table van
San F. Yezerzskiy en
professor Rötelflöt. Ze aten exotisch. Ze zagen er niet gelukkig uit. San had een blauw oog. Tegen de deur gelopen, beweerde hij. De professor bevestigde maakte hem uit voor lompe koe en arm schaap. Later zat ik met San in de
Yezerskiymobiel en reden we via
Mechelen naar
Antwerpen want rond
Brussel zou er wel eens file kunnen zijn. San is een man van de wereld en een licht agressieve chauffeur.
We parkeerden hoog en namen een snelle lift naar beneden want we moesten in de Elisabethzaal zijn voor
Morrissey. De zaal was kleiner dan ik mij herinnerde uit de tijd dat ik nog
Samson & Gert-kersthows frequenteerde en ook wel lichtjes vervallen. De rangschikking gebeurde naar gevoel voor humor dus hadden San en ik betere plaatsen dan Raf Coppens.
Stipt om acht uur trapte voorprogramma
Doll & the Kicks af voor een ongeïnteresseerde zaal. Doll was een blondine met lange benen en een vreemd diadeem. The Kicks waren drie heren die respectievelijk gitaar, bas en drums afranselden alsof daar een kiesdrempel mee te halen viel. Dat uitte zich in een nijdige portie lawaai tussen garagerock en punkfunk in. Dollie keelde daar wat overheen. Een Britpoppende Blondie twee dagen nadat Patti Smith Debbie Harry het strot heeft overgesneden. Doll & the Kicks: they still got a long way to go maar ze verdienen een aandachtiger publiek.
Bij wijze van pauzemuziek werden wat filmpjes geprojecteerd. The New York Dolls, Shirley Bassey en Sparks passeerden de revue en ik meende Shocking Blue te herkennen. San ging de polemiek aan over kitsch en camp. Camp blijkt kitsch te zijn maar dan met pluimen. Ik heb weer iets bijgeleerd. Maar dat deed allemaal niets meer ter zake eens Morrissey het podium betrad en meteen een knieval deed. Deze charmante man had de zaal direct in zijn zak maar was zo vriendelijk toch wat liedjes voor ons te zingen.
Te beginnen met This Charming Man dat een stuk steviger klonk dan in mijn geheugen. Hoort die intro normaliter niet bij Lust For Life? Misschien moet ik even gas terugnemen en uitleggen hoe ik mij verhoud tot Morrissey. En tot the Smiths natuurlijk.
Van beide bezit ik één verzamelaar. Respectievelijk
Suedehead: The Best of Morrissey en
The Very Best of The Smiths. Tenzij mijn geheugen nu al hapert alletwee geschnitzeld in de Brusselse Fnac zij het op twee aparte gelegenheden. Neemt iemand het mij kwalijk dat the Smiths mij dierbaarder zijn dan Mozzer solo? Neemt iemand het mij kwalijk dat ik veggie noch queer ben?
Alzo wist ik maandag uiteraard dat de jongen met de doorn in zijn zij een nieuwe CD uit had maar had ik daarvan enkel single I'm Throwing My Arms Around Paris gehoord. De set klonk mij bij momenten bombastisch in de oren. Waar heeft zo'n drummer überhaupt een gong voor nodig? Al die synths zijn nergens goed voor. Profi muzikanten allemaal goed en wel, het publiek achtte hen slechts een blik waardig als ze tussen hen en Morrissey instonden. Ik ben geneigd dit te beschouwen als een goed optreden maar geen geweldig.
Was ik megafan dan had ik het waarschijnlijk geweldig gevonden. Dan had ik mij met plezier door de security laten sodomiseren om toch maar de hielen van Morrissey te mogen likken. Jongens toch, wat heeft die man een charisma.
Het optreden zelf was een taartje. Helaas geen aardbeidentaartje. De slagroom was voor mij toch de greep uit het oeuvre van the Smiths. Haastige slagroom, een vluggertje, van moeten. Ask en Some Girls Are Bigger Than Others werden door de band zo snel mogelijk afgewerkt en van Morrissey bijna verveeld van zang voorzien. Girlfriend In A Coma kreeg gelukkig een waardigere bewerking. De kers op de slagroom: de heerlijke, opstandige bis First Of The Gang To Die. Een nummer waarvoor ik bereid ben als eerste te sterven, elke dag De Standaard te lezen of op mijn woorden te letten.
Toen was het allemaal voorbij, schatje blauw. Ik ging met San door de garage hollen en door de stad sjezen. Toen
Martha & the Vandellas uitgezongen waren, stond de Yezerskiymobiel op het Hooverplein en bezetten wij het terras van de Libertad. Spending warm summer days indoors: het is niet voor ons weggelegd. Als het geen liefde is dan zal
de bom ons wel samenbrengen. Of die
kutolifantenbaby.
Labels: gewaardeerd popkenner, live, zelfverheerlijking